Het Brabantse dorp Oisterwijk
  en Operatie Market Garden

Wehrmacht deserteur Ernst Haalboom

Wehrmacht deserter Ernst Haalboom

Dit is het verhaal van Rijksduitser en ex-Wehrmacht soldaat Ernst Haalboom. Ernst Haalboom verbleef in de laatste oorlogsmaanden van de Tweede Wereldoorlog als Wehrmacht deserteur ondergedoken in Boxtel en heeft er een rol gehad in het verzet. Dit verhaal is gebaseerd op een handgeschreven verslag van Ernst Haalboom, het familiearchief van de familie Haalboom, documentatie uit het Nationaal Archief; stukken uit het Nederlands Beheersinstituut (NBI) (2.09.16) invenataris-nummers 84891, 3394 (PE27'1645) en 5706 (WFV 3603). Een verslag over het Boxtels verzet en de ondergedoken geallieerde airborne-militairen in de Kampina bossen, geschreven door de Boxtelse verzetsman Klaas Dekker. Officiële documenten van de gemeente Boxtel uit 1945 en gesprekken met nabestaanden en ooggetuigen. Speciale dank aan Pieter van den Hout.

 

 

 

 

Ernst Haalboom was een goede Duitsers

 

 

Rijksduitsers (Reichsdeutsche) was de benaming voor alle staatsburgers van het Duitse Rijk zoals het tussen 1871 en 1945 bestond. De meeste Rijksduiters die een oproep kregen voor militaire dienst namen dienst omdat ze geen andere keus hadden. Weigeren leidde immers onherroepelijk tot de doodstraf wegens desertie.

 

Rijksduitser Ernst Haalboom (16-12-1906) was afkomstig uit Ellinghausen-Dortmund in Duitsland en leefde vanaf 1929 in de kost in het Groningse Winschoten. Ernst Haalboom had Nederlandse voorouders vanwaar zijn Nederlandstalige achternaam. Hij was in maart van 1941 getrouwd met de Nederlandse Sietske Haalboom-Pruissen. Uit dit huwelijk volgde een zoontje die net als zijn vader Ernst werd genoemd. De jonge Ernst werd geboren in november van 1942. (Sietske zei altijd dat ze een naar gevoel had dat haar man de oorlog niet zou overleven, daarom kreeg hij de naam van zijn vader)

 

Ernst Haalboom werkte al sinds enige jaren voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog als kleermaker bij de firma Groenewold in het dorp Musselkanaal waar hij bekend stond als een kundig vakman. Haalboom was een fel anti-Nazi man en sinds de Duitse inval in Nederland in mei 1940, en de daarop volgende Nederlandse capitulatie, had hij een zeer moeilijk leven. De Duitsers verklaarden al vroeg in de oorlog de Rijksduitsers weer tot Duitsers wat automatisch betekende dat de mannen opgeroepen konden worden voor Duitse militaire dienst. Haalboom werd vanaf 1942 voortdurend lastig gevallen door de Duitse overheid en via oproepen van de Duitse ortscommandant van Groningen om aan Duitse dienstoproeping en wetten gevolg te geven. Ettelijke malen gaf Haalboom daar geen gehoor aan en weigerde te verschijnen. Hij verhuisde met zijn gezin naar Stadskanaal waar ze een woning betrokken aan de Handelskade 323-1. Gedurende deze periode wist een goed gezinde dokter uit Stadskanaal Ernst te helpen en hem nog een hele tijd aan de dienst te onttrekken door hem steeds weer opnieuw ziek te melden. In januari van 1943 wist de politie en de N.S.B. Haalboom te traceren en wilde hem thuis oppakken. Ernst Haalboom werd echter vooraf getipt en hij kon op tijd vluchten. De dag dat ze Haalboom wilde arresteren was de gehele straat uitgelopen want Haalboom, zo ging rond, zou worden opgehaald. Bij aankomst van de autoriteiten was hij er echter al vandoor. Vooraf had Haalboom met zijn vrouw afgesproken dat, wanneer hij veilig ondergedoken zou zitten, hij een kaartje naar haar zou sturen ondertekend met de naam J. Groenhof. Die kaart kwam inderdaad in Stadskanaal aan en, met de wetenschap dat haar man ergens veilig onderdak had gevonden, besloot Sietske samen met de jonge Ernst ergens anders te gaan wonen. Ze wilde niet alleen met haar zoontje in het huis in Musselkanaal blijven. Zij vonden onderdak bij haar zus in het Groningse Meeden waar haar zus een hotel restaurant runde.

Het echtpaar Haalboom. Ernst Haalboom en Sietske Haalboom-Pruissen.

Ernst werd in het begin van 1943 uiteindelijk toch door het Duitse gezag te Winschoten opgepakt en naar een Duits strafkamp gestuurd. Van dit soort kampen bestonden er een aantal in Nederland. Zo werden Duitse dienstweigeraars onder andere (vanaf 1939) opgesloten in het dan Joodse vluchtelingenkamp ‘Vianda’ in Hoek van Holland, in concentratiekamp Kamp Amersfoort, (vanaf 1941/42) en ook in het Groot Seminarie Haarendael/Duits politiekamp Haaren. (vanaf 1943) Het is vermoedelijk in het strafkamp dat Ernst Haalboom het nummer kreeg getatoeëerd dat hij had aan de binnenkant van zijn linker bovenarm. Haalboom kreeg hier vervolgens een gedwongen militaire opleiding en werd daarna, getuige een foto van hem in Duitse legerkleding, in het Duitse leger ingedeeld. Als Duitse Wehrmacht soldaat verrichte hij vervolgens in Nederland op diverse plaatsen wachtdiensten. In augustus van 1944 wist hij uiteindelijk uit Duitse dienst te deserteren en vluchtte hij vanuit het Noord-Hollandse Bussum naar het Brabantse Boxtel waar hij tot in 1945 onderdook. Het is waarschijnlijk dat Ernst Haalboom gedurende zijn diensttijd tussen het begin van 1943 en augustus van 1944 in contact kwam met een Nederlandse ondergrondse verzetsbeweging of illegaliteit of Duitse verzetsbeweging. In dienst van deze organisatie/beweging zou Ernst namelijk diverse gewaagde ondernemingen mee maken. Over deze periode schreef Haalboom een eenvoudig doch zeer waardevol verslag waarin hij beschrijft hoe hij als deserteur/onderduiker in Boxtel terecht kwam, wie hij daar ontmoette, en wie hem hier hielp. Duidelijk is dat hij na zijn desertie vanuit Bussum naar Brabant fietste alwaar hij, vermoedelijk voor het verzet, verkenningsopdrachten uitvoerde.

 

Ernst Haalboom was na zijn gedwongen militaire opleiding ingedeeld in Sicherungs-Regiment 26. Dit Wehrmacht regiment was belast met het bewaken van bruggen en magazijnen. Haalboom werd ingedeeld in Einheit 8 Kompanie II. Het regiment was gestationeerd in een kazerne in Laren bij Bussum en hier zal Haalboom naar verwachting wachtdiensten hebben uitgevoerd. Niet ver van Laren lag de stad Amersfoort waar door de Duitsers rond 1941/42 Kamp Amersfoort in gebruik was genomen.* Zo’n honderd Rijksduiters hebben daar aan het kamp gewerkt. Een aantal van hen werd er vervolgens gestationeerd voor de bewaking van het Kamp.

 

*Gezien het feit dat er in Kamp Amersfoort in die periode ook dienstweigeraars opgesloten waren zou Ernst haalboom hier zelf ook geïnterneerd kunnen zijn geweest, of was hij er misschien zelfs betrokken bij de Kamp bewaking.

Ernst Haalboom gekleed in Duitse leger kleding.

 

Een deel van de Rijksduitsers die dienst namen in de Duitse Wehrmacht werden vanaf 1942 net zoals Ernst Haalboom gestationeerd in Laren. Daar bevond zich het militair kamp Kamp Crailo, een oude Nederlandse legerplaats met een militair oefenterrein, ook wel bekend als Kamp van Laren, een naam die het kamp in de Eerste Wereldoorlog had gekregen. De vanaf 1942 in Kamp Crailo gestationeerde Rijksduitser Ulrich Rehorst vormde hier met een aantal Duitse kameraden een verzetsgroep genaamd Groep Rehorst. Ulrich Rehorst was net als Ernst Haalboom ingedeeld bij Sicherungs-Regiment 26. Net als Haalboom was Rehorst een anti-Nazi man en kwam midden 1942 in contact met een lid van het ondergrondse verzet te Laren en Blaricum-Eemnes, de Larense architect Cornelis de Graaff. Rehorst opperde de Graaff de gedachte om een verzetsgroepje te vormen. De Graaff keurde het idee goed en de Groep Rehorst was geboren. De Graaff werd vervolgens de belangrijkste contactpersoon tussen de Nederlandse ploeg en de Duitse verzetsgroep. Vanuit het Nederlandse verzet werd hierna een dringende oproep gedaan aan de Duitse militairen om vooral niet te deserteren. Als militair konden zij zich namelijk veel verdienstelijker maken voor de Nederlanders en zo geschiedde ook. De leden van de Groep Rehorst speelden niet alleen militaire inlichtingen door naar het Nederlandse verzet maar zorgden onder andere ook voor wapens en uniformen. Ook speelden ze via dit verzet militaire inlichtingen door aan de Geallieerden. Het is dan ook zeer goed mogelijk dat Ernst Haalboom ook lid was van de Groep Rehorst.

 

Ernst Haalboom deserteerde vermoedelijk op 1 september uit het Duitse leger. Binnen zijn regiment was het echter pas op 4 september bekend dat hij verdwenen was. Ondanks dit feit werd er geen officiële melding van zijn vermissing ofwel overlijden gemaakt. Bekend is dat Haalboom na zijn desertie kort in Bussum verbleef.  

Hij beschrijft onder andere in zijn verslag, dat hij kort na de bevrijding van Boxtel schreef, hoe hij op 1 september 1944 om half zes in de avond uit Bussum vertrok om naar het Gelderse Hedel aan de Maas ten noorden van de stad ’s-Hertogenbosch te fietsen. Daar arriveerde hij om 3 uur in de nacht en verbleef er in totaal drie dagen. In die drie dagen at hij niets en opende er op de derde dag een geheime brief.* De inhoud van die geheime brief bracht hem meest waarschijnlijk naar Boxtel, want Haalboom beschrijft verder hoe hij vervolgens via Boxtel naar de omgeving van Moerdijk ging, naar de Moerdijkbruggen over het Hollandsdiep. Wat hij in die dagen exact uitvoerde en wie hij ontmoette werd door hem niet beschreven.

 

*Contact verzet? Was Ernst Haalboom bezig met verkenningen van de bruggen in Hedel (Maasbruggen) en Moerdijk voor het verzet, en moest hij wellicht op de vlucht voor de bezetter toen hij vanuit Moerdijk weer naar Boxtel terugkeerde en wellicht daar werd aangehouden/gecontroleerd?

 

Want Halboom kwam eer terug naar Boxtel, want hij schrijft vervolgens dat hij op een morgen om half acht in Boxtel wist te ontsnappen. Ernst Haalboom kwam terecht bij de boerderij van boer Antoon ‘Toon’ de Groot in het gehucht Lennisheuvel, gelegen aan de rand van Kampina aan Lennisheuvel 53, tegenwoordig Kempseweg 10.* Daar leefde hij dertien dagen lang achter de boerderij in het Kampinasche bos in een twee meter diep gat in de grond. In de avond bracht boer De Groot hem daar eten. Echter, nadat op 17, 18 en 19 september grote aantallen luchtlandingstroepen in Noord-Brabant landde verliet Haalboom zijn schuilplaats in het bos. Hij werd verder doorgebracht naar boswachter Aalt van den Ham waar hij in diens boswachterswoning genaamd ‘Huize Kampina’ onderdak vond. Haalboom beschrijft dat hij daar veertien dagen later op een zondag (1 oktober) door vijf Duitsers gevangen werd genomen maar ook weer kon ontsnappen. Een neef van Haalboom wist zich te herinneren dat Ernst na de oorlog tijdens een familie bijeenkomst vertelde hoe hij zich na zijn aanhouding door de Duitsers niet kon legitimeren omdat zijn papieren bij Van den Ham op zijn slaapkamer lagen op de eerste verdieping. Haalboom werd onder bedreiging door de Duitsers mee naar het huis genomen en eenmaal daar aangekomen ging hij naar boven. In plaats met zijn papieren terug te komen schoot hij met een wapen uit het slaapkamer raam op de Duitsers die buiten voor het huis stonden te wachten. Hij zou daarbij zeker één Duitser hebben gedood. Haalboom wist hierna uit het huis te ontsnappen en in het bos te verdwijnen. Tijdens die ontsnapping zou hij vervolgens de Boxtelse verzetsmensen Klaas Dekker en Grard en Door van der Meijden tegen het lijf zijn gelopen. Klaas Dekker beschrijft deze ontmoeting zelfs in zijn verslaggeving over de hulp aan de geallieerde airborne-militairen in Kampina die hij na de oorlog opmaakte voor het NIOD, het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie. Het Boxtels verzet had in die periode namelijk meer dan honderd Geallieerde airborne-militairen verstopt zitten in de bossen van Kampina. Deze militairen waren gedurende operatie Market-Garden door uiteenlopende redenen per parachute en met zweefvliegtuigen voortijdig aan de grond gekomen rondom Boxtel. Het plaatselijke verzet had deze militairen vervolgens geholpen om zich tot één grote groep te vormen. Deze groep vond daarna, geholpen door Boxtelse verzetsmensen, in Kampina een perfecte schuilplaats.

 

*Kanttekening auteur; Verzetsman Grard van der Meijden uit Boxtel werkte mee aan een piloten ontsnappingslijn en had goede contacten met Toon de Groot en Aalt van den Ham. Hij kan het verzetscontact voor Ernst Haalboom zijn geweest in Boxtel.

Klaas Dekker beschrijft in zijn verslaggeving tevens dat Boswachter Aalt van den Ham twee onderduikers in zijn huis had zitten. Hij beschrijft hoe Van den Ham op een dag met één van die onderduikers in het bos door vijf Duitse militairen werd aangehouden. Die Duitsers sommeerden het tweetal zich direct te legitimeren. Van den Ham had correcte papieren bij zich en mocht doorlopen, maar de onderduiker kon zich niet voldoende legitimeren en moest blijven staan. Net als Ernst Haalboom was deze onderduiker volgens Dekker afkomstig uit Stadskanaal, en terwijl de Duitsers hem aan een kort verhoor onderwierpen viel het hen op dat hij behoorlijk nerveus was en bovendien geen Brabants accent had. Ze kregen dan ook argwaan en dwongen hem de waarheid te vertellen. Het duurde niet lang tot de man toegaf een onderduiker te zijn. Daarop moest hij van de Duitsers aangeven waar hij ondergedoken zat. De Duitse militairen namen hem vervolgens mee en gingen op Huize Kampina af. Toen ze daar arriveerde en de woning binnenvielen wist de onderduiker direct aan de Duitsers te ontsnappen door via de achterdeur de woning uit te rennen en in het dichte bos te verdwijnen. Deze onderduiker uit Stadskanaal zal Ernst Haalboom zijn geweest. Klaas Dekker beschrijft verder nog dat hij tijdens een tocht naar de schuilplaats van de Amerikaanse airborne-militairen, toen gelegen langs de Beerze tussen de boswachterswoning Huize Kampina en het gehucht Balsvoort, in het bijzijn van Grard en Door van der Meijden een onbekende man in de omgeving bij het kamp zag. Eén van de Amerikaanse wachtposten zag de man wegduiken en Klaas Dekker, gewapend met een klein pistooltje, ging er samen met Grard van der Meijden op af. Beiden verzetsmannen kregen de man te pakken en onder de dreiging van het wapen legde ze hem een kort verhoor af. De man haalde vervolgens zijn papieren uit zijn rechter schoen en vertelde dat hij een Duitse deserteur was die op de vlucht was. Hij ging  gekleed in burgerkledij en Klaas en Grard gaven hem het advies om snel te verdwijnen. Zij wezen hem daarbij de juiste weg, in tegengestelde richting van het kamp van de airborne-militairen. (het gaat hier naar alle waarschijnlijkheid wederom om Ernst Haalboom) Nu moest ook Aalt van den Ham en zijn gezin ook onderduiker, als gevolg  van de aanhouding en de vlucht van de deserteur uit Stadskanaal. De volgende dag (maandag 2 oktober) kwamen de Duitsers terug, om uit wraak Huize Kampina volledig te verwoesten. Ernst Haalboom verklaard hierover in zijn verslag dat Huize Kampina op maandag door de Duitsers werd opgestookt. Volgens een officieel rapport uit Boxtel, opgemaakt na de oorlog, kwam dit door Haalboom zijn verzetsactiviteiten. Ernst Haalboom had toen grote angst voor een Duitse razzia in het gebied van Lennisheuvel. Deze razzia bleef voor de inwoners van Lennisheuvel gelukkig uit. Waarschijnlijk is dat te danken geweest aan het feit dat de Duitse troepen in het gebied compleet andere dingen aan hun hoofd hadden na de geallieerde luchtlandingen van 17, 18 en 19 september bij Best, Eerde en Heeswijk-Dinther en de daarop volgende gevechten met de Amerikaanse troepen in het gebied tussen Veghel en Eindhoven. Haalboom schrijft verder in zijn verslag dat hij vanuit Kampina naar Boxtel vluchtte en onderdook bij de familie H. Pennings in de Ons Doelstraat op nummer 14. De Ons Doelstraat was tevens de straat waar Klaas Dekker en zijn broer en mede verzetsman Roel Dekker woonde. Ook verzetsman Jan Kwant, die Klaas en Roel hielp met de hulp aan de airborne-militairen, woonde in de Ons Doelstraat. Klaas Dekker woonde op nummer 13 terwijl zijn broer Roel op nummer 6 woonde en Jan Kwant op nummer 8. Bij de familie Pennings op nummer 14 verkreeg Haalboom vervolgens niet veel later op illegale wijze een persoonsbewijs.

Amerikaanse airborne-militairen van de 101ste en 82ste Airborne Divisie in de bossen van Kampina tonen hun goed belegde boterhammen voor de camera. Tussen hen in staat de Boxtelse verzetsman Roel Dekker.

 

Het huis van de familie Pennings in de Ons Doelstraat nummer 14. Hier zat Ernst Haalboom ondergedoken gedurende oktober van 1944.

 

Boer Toon de Groot, die Ernst Haalboom hielp onderduiken in een diepe kuil achter zijn boerderij, was een moedig man. In de periode dat de Amerikanen in hun schuilplaats langs de Beerze in Kampina verscholen zaten was het Toon de Groot die zich samen met zijn buurman Boer Jan van Antwerpen inzette voor de voedselvoorziening voor deze militairen. De boerderij van Toon lag op de route die het verzet nam naar de schuilplaats van de Amerikanen en samen met zijn buurman Jan van Antwerpen zorgde hij onder andere voor melk voor de militairen. De melkbus werd dan door Toon naar Huize Kampina gebracht waar de melk kon worden verwarmd. Verzetsmensen brachten de melk daarna verder naar de airborne-militairen in hun schuilplaats. Het kwam ook voor dat Toon de Groot de melkbus op een afgesproken plek in een sloot moest leggen als Huize Kampina niet bereikbaar was door Duitse activiteiten in de omgeving. De melkbus kon dan op een later tijdstip door het verzet met de fiets verder het bos mee in worden genomen. Het gebruik van melkbussen bracht echter wel een bepaald risico met zich mee daar deze bussen vaak genummerd waren. Mochten de Duitsers één of meerdere melkbussen vinden en in verband brengen met verzetsactiviteiten konden die nummers herleid worden naar de eigenaars van de melkbussen. Na het wegvallen van Huize Kampina, doordat de Duitsers het door brand hadden verwoest, werd een aantal andere boeren bereid gevonden zich in te zetten voor de voedselvoorziening. Twee boerderijen vlak bij Toon de Groot werden opgenomen in de foeragelijn, namelijk die van de boeren Theo Kurstjens en Martinus ‘Tinus’ de Groot. Naast de bereidheid van boer Theo Kurstjens om met zijn eigen bakoven extra brood te bakken voor de militairen werd bij deze boeren ook brood aangeleverd dat bij bakker Van de Laar uit Boxtel werd gebakken.  

Ook vleeswaren en andere levensmiddelen die in en rond Boxtel voor de militairen verzameld waren kwam bij deze boeren terecht. Al deze etenswaren werden door de verzetsleden zelf opgehaald en naar de militairen gebracht. Hoe minder mensen de locatie van de schuilplaats wisten hoe veiliger men het vond, vandaar dat maar een klein aantal mensen het kamp mocht bezoeken. Het brood werd vaak in grote rieten manden vervoerd terwijl andere levensmiddelen veelal in melkbussen werden verstopt of met een kruiwagen het bos mee in werden genomen. Op veler wijzen werden levensmiddelen vanuit Boxtel naar de genoemde boeren gebracht. Naast verzetsmensen waren ook tal van burgers betrokken bij die foerage. Ernst Haalboom werd ook betrokken bij voedseltransporten vanuit Boxtel terwijl hij in de Ons Doelstraat zat ondergedoken. Gekleed in zijn Duits legertenue liep hij dan vooruit om te controleren of de kust veilig was en om bij problemen in te kunnen grijpen.

 

Ondanks de moedige hulp kleefde er voor de burgers, boeren en hun gezinnen vele gevaren aan de hulp en/of betrokkenheid bij verzetsactiviteiten. Bij ontdekking volgde er zeker represaille maatregelen van de bezetter. Gelukkig ging het vaak goed.  Toch, op een dag in oktober, vond er iets verschrikkelijks plaats in Kampina. Niet ver van Lennisheuvel, op Oisterwijks grondgebied in Kampina, lag het gehucht Balsvoort. Daar vond in de eerste week van oktober een razzia plaats waarbij twee Oisterwijkse broers door de Duitsers werden vermoord. Op verdenking van betrokkenheid bij verzetsactiviteiten deden Duitse troepen in Balsvoort een inval op de boerderij van de familie Schut. Tijdens deze inval werd Bernard Schut op de vlucht doodgeschoten terwijl zijn broer Hein de volgende dag door Duitse hand de dood zou vinden. Hein werd eerst in Oisterwijk aan een verhoor onderworpen en de volgende dag in het Oisterwijkse bos vermoord nadat hij eerst zijn eigen graf had moeten graven. Bernard Schut werd na een maand na een zoektocht gevonden in de bossen. Zijn lichaam lag in een ondiepe kuil toegedekt met bladeren. Ook de gebroeders Schut hadden zich in die periode ingezet voor onderduikers. Zo zat de Oisterwijkse burgemeester Verwiel ondergedoken op hun boerderij en vonden vluchtelingen uit het nabij gelegen Oirschot er onderdak. Tevens waren ze betrokken bij de voedselvoorziening van de airborne-militairen die op enkele honderden meters van Balsvoort in hun schuilplaats langs de Beerze verbleven. Op enig moment had de Oisterwijkse gewapende verzetsgroep een aantal Duitse soldaten gevangen genomen in het bosgebied rond Oisterwijk. Zij hadden de Duitsers eerst ontwapend en daarna gevangen gezet op de boerderij van de familie Schut. Met de uitrusting van deze Duitsers kon hun vuurkracht flink uitgebreid worden. De Duitse soldaten werden gevangenen gezet op de grote zolder waar ze om beurten bewaakt werden door één van de gewapende verzetsjongens. Enkel een trap gaf toegang tot de grote zolder waar aan het eind een klein raampje met tralies net genoeg daglicht door liet schijnen om de Duitsers goed in de gaten te kunnen houden.

De aanwezigheid van deze Duitse gevangen op de boerderij bracht echter grote onrust met zich mee onder de aanwezige vluchtelingen. Al snel ontstond er onenigheid over wat te doen met deze gevangenen. Moesten ze de Duitsers doodschieten en het risico lopen op ernstige represailles wanneer ze zouden worden opgepakt of moesten ze de gevangenen vrijlaten? Besloten werd om de Duitse soldaten vrij te laten. Ze werden eerst lopend en geblinddoekt rond de Kampina geleid waarna ze ver van Balsvoort vandaan werden vrijgelaten. De Duitse soldaten hadden echter vrij snel hun weg weer terug kunnen vinden naar hun eigen troepen in Oisterwijk en hadden vervolgens alarm geslagen. Op de één of andere manier wisten de Duitse soldaten exact waar ze tijdens hun gevangenschap verbleven hadden want een aantal dagen later viel een Duitse overmacht rond drie uur in de middag de boerderij binnen.

Boer Toon de Groot en zijn vrouw Anna de Groot-van den Meulengraaf.

 

De boerderij van boer Toon de Groot in Lennisheuvel.

 

De rol van Ernst Haalboom zou zich niet alleen hebben beperkt tot het begeleiden van voedseltransporten. Zelf vertelde hij na de oorlog dat zijn legertenue toch wel enig nut had tijdens zijn verblijf in Boxtel. Zo zou hij gekleed in zijn legertenue een aantal maal onderduikers van de ene naar de andere schuilplaats hebben gebracht. Volgens een rapport van de Politieke Recherche in Boxtel, opgemaakt na de bevrijding van Boxtel, maakte hij verschillende gewaagde ondernemingen mee met leden van de verzetsbeweging waarbij zijn leven vaak op het spel kwam te staan.

Een enkele airborne-militair vermelde in een verslag zelfs dat een in hun midden zijnde Duitse deserteur er niet voor schuwde Duitse veldkeukens te bezoeken die stonden opgesteld bij boeren rond Boxtel en Kampina. Met een list werd dan voedsel voor de ondergedoken militairen geregeld. De boeren moesten tijdens de laatste bezettingsweken machteloos toezien hoe de Duitsers hun veldkeukens op het erf van hun boerderijen installeerden. Die keukens lagen zo op korte en redelijk veilige afstand achter het front. Zo stond er bijvoorbeeld ook een Duitse veldkeuken op het erf van een boer aan de rand van Kampina. Het eten dat daar overdag door de Duitse koks werd klaargemaakt werd tijdens de nacht naar de Duitse troepen aan het front gebracht.

 

Ernst Haalboom schrijft aan het einde van zijn verslag op enig moment te ontsnappen met een pistoolmitrailleur, een geweer, en een pistool plus 300 patronen, die hij inlevert bij de ondergrondse. Was Ernst Haalboom wellicht ook betrokken bij de diefstal van wapens uit het Duinendaal complex in Boxtel, beschreven door G. Segers in zijn boek ‘Beelden uit de Bezettingsjaren’? Volgens Segers zijn beschrijving zou het Klaas Dekker zijn geweest die kort na 16 september 1944 zo’n 300 pistolen en geweren zou hebben ‘gestolen uit de wapenkamer van het complex op de tweede verdieping. Dit aantal wapens lijkt mij niet alleen erg groot maar ook erg veel om door één man alleen te worden gestolen. Klaas Dekker zal hier vast en zeker hulp bij moeten hebben gehad.

 

Op 24 oktober werd Boxtel bevrijdt, eerst door de airborne-militairen die verscholen hadden gezeten in Kampina, maar de dag daarop voor de tweede maal, door troepen van de Britse 51ste Highland Divisie die het dorp waren benaderd vanuit het oosten. Haalboom vermeld in zijn verslag ook nog, zonder verdere details te geven, dat hij tijdens die bevrijding een kind zou hebben gered. In de periode na de bevrijding kwam Haalboom wederom terecht bij Toon de Groot waar hij wederom moest onderduiken. Het feit dat het gebied bevrijd was van de Duitsers wilde niet zeggen dat Haalboom voor zijn goede daden voor het Boxtels verzet vrij uit zou gaan. Uit angst om door de geallieerden geïnterneerd te worden, of als Duitser door de plaatselijke bevolking gelyncht te worden, werd Haalboom onderdak aangeboden op de boerderij van Toon de Groot. Daar wist hij spoedig weer contact te leggen met zijn vrouw en zijn familie en er volgden diverse briefwisselingen tussen Ernst in Lennisheuvel en zijn familie in het noorden van Nederland. In Lennisheuvel werkte Ernst Haalboom vervolgens niet alleen voor Toon de Groot maar ook voor andere boeren in de omgeving. In de nacht sliep hij dan in de schuur op het erf van Toon de Groot. Haalboom was in die tijd voortdurend op zijn hoede om niet ontdekt te worden en zodra er onverwacht bezoek op de boerderij kwam dook hij meteen weg en verdween. De acht jarige pleegzoon Jan werd uitgelegd dat Ernst Haalboom bij boswachter van den Ham in Kampina verbleef waar een noodgebouw voor het boswachtersgezin was gebouwd ter vervanging van hun verwoeste woning. Er werd Jan verder verteld dat dit gebouw in de nacht zo tochtig was dat Ernst daarom ‘s-nachts bij Toon in de schuur van de boerderij mocht slapen. De kennis die Haalboom had van het maken van kleding kwam in die periode prima van pas op de boerderij.  Voor menigeen maakte of repareerde Ernst in die periode kleding. Op 28 november melde Haalboom zich met medewerking van het voormalig Boxtels verzet bij het Geallieerde Militaire Gezag en de Nederlandse Politieke Recherche in Eindhoven. Daar werd hij uitvoerig gehoord en het verhaal dat Ernst Haalboom daar kon vertellen was geloofwaardig en werd bij controle in Boxtel bevestigd. Het feit dat Ernst kon bewijzen geen Nazi te zijn was mede voldoende om niet geïnterneerd te worden. Een officieel document van het Militaire Gezag uit die tijd vermeld dat; “gezien zijn prestaties tijdens de Duitse bezetting, en gezien de goede diensten die hij had bewezen voor de geallieerden, men het in geen geval nodig oordeelde om Haalboom als krijgsgevangene te interneren.” Er werd Ernst Haalboom dan ook volledige medewerking toegezegd. Hij kreeg geen vaste verblijfplaats toegewezen zodat hij geheel vrij was in zijn doen en laten. Haalboom verbleef na zijn verhoor een nacht bij geëvacueerde en ontheemde personen in het veemgebouw van Phillips in Eindhoven. In afwachting van zijn papieren keerde Haalboom de volgende dag terug naar Boxtel, terug naar de boerderij van Toon de Groot in Lennisheuvel. In zijn handgeschreven verslag vermeldt hij ook nog het neerkomen van een Duitse V2 raket in Boxtel (onbemande geleide ballistische raket) op 18 december die veel slachtoffers maakte.

 

(doorlaat paspoort) was Haalboom vrij om terug te keren naar Stadskanaal zodra het gebied daar was bevrijd. Vanuit Meeden kwam op 25 mei 1945 een ansichtkaartje van Sietske, de vrouw van Ernst. Daarop schreef ze onder andere dat ze op 28 mei zou terug keren naar Stadskanaal om er weer te gaan wonen en dat ze blij was dat Ernst bij zulke goede mensen verbleef. Ze eindigde het kaartje met de zin “dag lieve man, tot ziens hoor”. Haalboom zou deze ansichtkaart echter nooit ontvangen. Op donderdag 12 april werd Stadskanaal namelijk door Poolse troepen bevrijd en eind april was Haalboom uit Lennisheuvel vertrokken richting Stadskanaal. Tot eind mei 1945 kwamen er bij Toon de Groot nog meer ansichtkaarten en briefjes voor Ernst Haalboom aan, maar nooit zou hij die lezen. In Lennisheuvel werd het leven na de oorlog weer opgepakt. Toon de Groot verhuisde in 1948 me zijn vrouw Anna en pleegzoon Jan naar het gehucht Vrilkhoven bij Liempde, nadat hij met zijn daar woonachtige broer Willem de Groot van boerderij had geruild omdat deze een groot gezin had en de boerderij in Vrilkhoven te klein werd. In Boxtel en in Lennisheuvel hoorde men nooit meer iets van Ernst Haalboom. Nimmer werd daar duidelijk of hij Stadskanaal en zijn vrouw en kind ooit had kunnen bereiken.

 

Ernst Haalboom had Stadskanaal toch kunnen bereiken en hij herenigde zich daar met zijn vrouw Sietske en zijn zoontje Ernst. Sietske was na de vlucht van haar man uit Stadskanaal in 1943 ingetrokken bij haar zus in het dorp Meeden, net ten noorden van Stadskanaal. In het hotel restaurant van haar zus kwamen met regelmaat Duitsers over de vloer en om te voorkomen dat zei moeilijke vragen zouden stellen aan deze alleenstaande vrouw met kind had ze een foto van Ernst gekleed in zijn leger tenue op een prominente plek in huis gehad. Die foto had ze op de een of andere manier gekregen terwijl haar man als Wehrmacht soldaat door het leven ging. Echter, in het najaar van 1945, kwam Haalboom voor onderzoek door de Nederlandse autoriteiten terecht in een interneringskamp voor Rijksduitsers in Assen genaamd kamp Vlessing. In die periode legde het Nederlands Beheersinstituut (NBI) beslag op al zijn bezittingen. (Operatie Black Tulip) Deze bezittingen dienden ter financiële compensatie voor de geleden oorlogsschade in Nederland. Het NBI werd in augustus van 1945 opgericht als onderdeel van de Raad van Rechtsherstel. In kamp Vlessing verklaarde in februari van 1946 de heer F. Boersma, een voormalige rayonleider van de verzetsbeweging en plaatselijk commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten, dat Haalboom volkomen politiek betrouwbaar was. Kort daarop werd Ernst Haalboom in vrijheid gesteld en kon hij weer terug keren naar Stadskanaal. In die tijd diende Haalboom in Winschoten nog een verzoek in ter neutralisatie als Nederlander, maar door financiële moeilijkheden kon dat geen doorgang vinden. Een officiële ontvijanding verklaring heeft hij van het NBI nooit gekregen. Hij bleef samen met zijn zoon Ernst betiteld als vijandig. In plaats van de genoemde verklaring kreeg hij wel een verblijfsvergunning waarvoor hij ieder jaar weer een stempel moest halen. Aan Ernst Haalbooms wens om te naturaliseren als Nederlands staatburger is door de Nederlandse autoriteiten nimmer gehoor gegeven. Ernst Haalboom overleed op 15 oktober 1980.

 

Het handgeschreven verslag van Ernst Haalboom over zijn desertie, onderduiken en verzetswerk in Boxtel.

 

 

Toen gedurende het voorjaar van 1945 de bevrijding van Noord Nederland nabij was wilde Ernst Haalboom vanzelfsprekend graag terug naar zijn vrouw en kind. Uiteindelijk kwam er vanuit de Engelse Security Service te Eindhoven het bericht met toestemming om Ernst Haalboom vrijheid van beweging te verlenen in verband met zijn verdienstelijk werk voor de geallieerde zaak. Via de Gemeente Politie Boxtel en de Politieke Recherche Kring Boxtel kreeg Haalboom een vrijgeleide om terug te keren naar zijn woonplaats zodra die bevrijd zou zijn. Dit vrijgeleide werd ondertekend door de waarnemend Inspecteur van Politie, W.G.A. van Almkerk. Tevens kreeg Haalboom een vrijgeleide van 1e Luitenant H. van den Broek, hoofd van de Staf Bewakings Compagnie Boxtel en Esch der N.B.S. (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten) Van den Broek verklaarde hierin dat inlichtingen m.b.t. Haalbooms politieke betrouwbaarheid ingewonnen konden worden bij de Boxtelse agent van politie Th. Kemperman uit de Ons Doelstraat 7 en verzetsman Klaas Dekker uit de Ons Doelstraat 13. Met dit vrijgeleide gericht aan de ‘Doorlaatposten van de bevrijdde gebieden in Nederland’

Het vrijgeleide van de Gemeente Politie Boxtel die het Haalboom mogelijk maakte om terug te keren naar zijn vrouw en kind in Stadskanaal.

 

 

Ernst Haalboom was niet de enige Duitse Wehrmacht deserteur die in Boxtel ondergedoken heeft gezeten.

 

Na de bevrijding bleek dat Ernst Haalboom niet de enige Duitse deserteur was geweest die in Boxtel ondergedoken had gezeten. Een aangetrouwd familielid van de boeren familie Verhoeven uit buurtschap Tongeren bij Boxtel was de Rijksduitser Jupp Gerecht. Jupp Gerecht was aan het begin van de oorlog met zijn Hollandse vrouw woonachtig geweest in Boxtel en had zich in 1940 verplicht aangemeld voor Duitse dienst. Hij was als Wehrmacht soldaat tegen het einde van 1944 ingedeeld geweest bij de bewaking van de bruggen over het Hollandsdiep bij Moerdijk. In die periode besloot hij te deserteren en met een vriend* liep hij via binnenwegen naar zijn huis en vrouw in Boxtel. In Boxtel aangekomen dook hij echter onder. Gerecht zou zich een aantal dagen onder een omgekeerde mestkar verscholen hebben op een stuk land van de familie Verhoeven, aan de rand van de Kampina in de omgeving van de Beerze. Later heeft hij via de heer P.J. Smits uit Boxtel (Hoofd van de Crisis Controle Dienst in Boxtel) contact gelegd met de ondergrondse van Boxtel en is hij langdurig verscholen gebleven in Kampina. Na de bevrijding werd Jupp Gerecht door de Britten gevangen genomen. Hij werd vervolgens op transport naar Engeland gezet en in een gevangenen kamp geïnterneerd en over zijn diensttijd ondervraagd. Toen duidelijk werd dat hij geen Nazi bleek te zijn kwam hij weer vrij en keerde hij terug naar zijn vrouw in Boxtel. Jupp Gerecht ging daarna bij de Nederlandse spoorwegen werken.

 

* Ernst Haalboom? Haalboom heeft in zijn verslag een lijst met namen gezet. Tussen die namen staat ook de familie Verhoeven uit Tongeren vermeld.

 

Ernst Haalboom dienst gegevens

 

 

Diensteintrittsdatum:

 

Erkennungsmarke:

 

Truppenteile:

It. Meldung vom 23.03.43                         

 

 

 

 

 

Am/On 04.09.44

 

nicht angegeben

 

-1248 - 1./E./.Pol. I.R. 1

 

 

6.Kompanie Landesschützen-Bataillon Niederlande

 

Zugang: von 1.Erzats-Kompanie SS-Polizei-

            Infanterie-Regiment 1        

             Standort: Ede/Holland

 

8. Kompanie Sicherungs-Regiment 26

Unterstellung: Wehrmachtbefehlshaber den                                      Niederlanden

 

Abgang: Fahnenflügtig

In die periode was er nog een voorval, maar dat ging gelukkig net goed. Grard van der Meijden kwam toen op een motor vanuit de richting Roond op de boerderij van De Groot aangereden met (om onbekende redenen) op afstand achter hem aan een Duits legervoertuig. Eenmaal ter hoogte van de boerderij van Toon de Groot zag Grard dat de schuurdeuren van de schuur grenzend aan de weg wagenwijd open stonden. Grard kwam door de bocht gescheurd en reed zo het erf van Toon op om vervolgens door de openstaande schuurdeuren de schuur binnen te rijden. Hij sprong vervolgens van zijn motor en gooide samen met Toon die in de schuur bezig was snel de schuurdeuren dicht. De Duitsers die hem achtervolgden hadden niets gezien en scheurden de boerderij voorbij om vervolgens uit het zicht te verdwijnen. Boer Toon de Groot was getrouwd met Anna van de Meulengraaf. Ze hadden geen kinderen en hadden de moeder van Toon, ‘Grutje’ in huis. Anna had een broer die met zijn gezin in Best woonde. Hun huis raakte verwoest door drie voltreffers tijdens een bombardement. Het gezin was daardoor dakloos geworden en moest ergens worden ondergebracht. Zij vonden eerst onderdak in het dorp Aarle en daarna, rond 23 oktober, in het dorp Haaren bij Oisterwijk. Daar werd het gezin op 28 oktober opgesplitst en kwamen een neefje en nichtje naar Toon en Anna in Lennisheuvel. Toon en Anna hadden ruimte genoeg en bovendien kende de kinderen de omgeving al goed omdat ze al eens een vakantie op de boerderij hadden doorgebracht. Toen het gezin na een tijd weer bij elkaar kwam in Best bleef alleen het neefje van Toon en Anna, de acht jarige Jan van de Meulengraaf, achter in Lennisheuvel. Hij had het op de boerderij goed naar zijn zin en ging inmiddels in de omgeving naar school. Er was voor hem een kamertje ingericht op de zolder en Jan werd door Toon en Anna als een pleegzoon opgenomen. De achtjarige Jan van de Meulengraaf zou daar de Duitse deserteur Ernst Haalboom met regelmaat ontmoeten. Ernst Haalboom, die na zijn vlucht vanuit de boswachterswoning Huize Kampina in de Ons Doelstraat in Boxtel terecht kwam, zou zich vanuit die straat weken lang inzetten voor de airborne-militairen die zich hadden verscholen in Kampina. Hij begeleide vanuit Boxtel onder meer voedseltransporten naar Kampina. Het verzet in Boxtel zal vast gedacht hebben dat deze transporten in het bijzijn van een Duitse soldaat vast niet in de gaten zouden lopen. Het einddoel van die transporten was naast de boerderij van Toon de Groot ook vaak de boerderijen van Tinus de Groot en Jan Kurstjens.

De Balsvoortse broers Bernard en Hein Schut.