Het Brabantse dorp Oisterwijk
  en Operatie Market-Garden

‘Hangend aan mijn parachute ging ik flink van links naar rechts doordat ik maar met één riem aan mijn parachutezak bevestigd zat. Het voelde alsof ik aan één kant uit mijn harnas zou glijden waarop ik poogde om naar boven in de touwen te klimmen om mijn zak te kunnen bereiken en de andere riem te bevestigen. Ik was er bijna maar doordat ik flinke pijn aan mijn rechter schouder kreeg, die had ik al eens bij een eerdere crash verwond, gaf ik de poging op. Het op en neer van links naar rechts gaan werd nu wat minder en ik keek om me heen. Beneden mij was de grond goed zichtbaar door het vuur van de crash en ik merkte dat ik er langzaam van weg dreef. Ik schatte in dat ik op ongeveer 100 meter hoogte zat en dacht aan de kans dat ik binnen enkele seconden vast mijn rechterbeen zou breken bij de landing op de grond. Het was nog steeds zwak van de breuk na mijn eerdere vliegtuigongeluk en ik kon mijn knie niet geheel strekken. Toen de grond redelijk snel op me af begon te komen trok ik aan de riemen waardoor ik met mijn linkerbeen redelijk zacht neerkwam en ik me meteen achterover rolde. Ik stond op, rende rond mijn parachute, rolde die ineen, en nam het onder mijn arm mee. Mijn hart bonkte en ik hapte naar adem. Ik begaf me naar wat struiken om te gaan zitten en even bij te komen. Ik had genoeg om over na te denken en het duurde een paar minuten voordat ik de situatie een beetje op een rijtje had. Alles was ineens rustig om me heen zonder het geronk van de motoren in mijn oren na al die uren vliegen, en ik hoorde het geluid van de overvliegende stroom bommenwerpers langzaam wegebben. Het waren mijn kameraden die met hun vijfhonderd tal andere toestellen op weg naar huis waren, op weg naar de bacon en eieren en een comfortabel bed.

 

 

Ik keek in de richting waar mijn toestel nog steeds lag te branden, ongeveer één mijl van mij vandaan.

Het was een grote rode gloed, met vuurvonken die tot hoog in de lucht rond het vuur danste door de ontbranding van munitie. Wie zouden er naast High gecremeerd worden? Ik had maar één andere parachute naast mij zien afdalen, maar de anderen zouden makkelijk buiten mijn zicht afgedaald kunnen zijn. Ik stond op, begroef mijn helm, mijn parachute en mijn gevechtsjasje, en ging er opuit om de anderen te zoeken. Al snel gaf ik dat op en met de herinnering aan wat mij tijdens de ontsnappings lessen was bijgebracht zette ik het op een lopen om zoveel mogelijk afstand tussen mij, het wrak, en eventuele Duitsers die op het wrak afkwamen te creëren. Na ongeveer twintig minuten lopen stopte ik om de zaak te overdenken. Gelukkig maakte de schoenen met rubberen zolen die ik droeg het lopen een stuk makkelijker. Ik had Nederlands, Belgisch en Frans geld bij me en genoeg eten voor een week. Mijn dikke witte sweater deed ik uit en haalde die over de grond om hem door het zand te halen waardoor hij niet meer zo opviel in het donker. Mijn horloge was deels kapot doordat er een kogel tegenaan was gekomen waarbij ik licht gewond aan mijn hand was geraakt. Het uurwijzer gaf een tijd van ongeveer half twee aan. Ik vermoede dat ik in de buurt van de Duits Hollandse grens was, ofwel in Duitsland of in Holland, dus pakte ik mijn zijden kaart en ging ik er vervolgens vanuit dat de veiligste route in de richting van het noordwesten lag. Het gebied was erg vlak met moerassige grond en kleine bomen en struiken onderbroken door vele kleine dijkjes waar ik steeds overheen viel.

 

 

Ik liep zo’n twee uur flink door en zag geen huis of boerderij en gebruikte de sterren als gids. Ik deed dit door regelmatig naar de Poolster te kijken in plaats van op mijn kompas zodat ik niet continu hoefde te stoppen en te wachten totdat de naald van het kompas stil lag en de richting aangaf. Ergens in de verte hoorde ik een klok vier keer slaan wat erop duidde dat ik een stad of dorp naderde. Er stonden steeds meer huizen aan beide zijden van de weg en ik besloot de weg te verlaten om door het veld verder te gaan in een poging de stad te omzeilen maar al snel stond ik er midden in. Ik kon niet anders dan er door heen te gaan of ik moest omkeren en terug gaan van waar ik vandaan was gekomen. Ik dankte god voor mijn rubberen zolen want hierdoor kon ik geluidloos mijn weg door de lege straten vervolgen. Het was een redelijk dorp (Oisterwijk) maar er was geen enkel teken van leven, geen licht, geen geluid en geen beweging. Ik stopte op iedere hoek om voorzichtig de zaak te bestuderen voordat ik de straat overstak. Ik kwam bij een groot plein met een kathedraalachtig gebouw (St. Petrus kerk) en was zo onder de indruk van het gebouw dat ik besloot om er omheen te lopen om de architectuur te bekijken. Ik moet wel gek zijn bedacht ik bij me zelf, om nu rond zo’n gebouw te lopen terwijl ik zou moeten rennen voor mijn leven. Na wat een eeuwigheid leek te duren werd het aantal huizen minder en was ik door het centrum heen. De weg waarop ik nu liep ging langst een kanaal en ik liep er langs de kant naar toe om er mijn waterfles in te vullen. Het water smaakte vies, brak en bitter. Het begon nu licht te worden en het was tijd om een dik bos op te zoeken om me er voor de dag in te verstoppen . Ik wist nu zeker dat ik in Holland was doordat ik een naambord vond met de naam ‘Voor---‘(Voortse stroom) wat zeker geen Duits woord was. Toen het bijna licht was vond ik eindelijk een bos om me in te verstoppen. Ik ging er in en vond een plek om te slapen op de klamme grond. De kerkklok sloeg nog vijf keer. Ik werd stijf wakker en had het pijnlijk koud. Ik hoorde de klok zeven keer slaan wat er op duidde dat ik maar twee uur geslapen had. Overdag kwam er nog een Me.110 over waarop ik mij onder de bosjes verstopte met de gedachte dat ze mij vast aan het zoeken waren. De dag duurde eindeloos lang totdat de klok elf uur sloeg en het donker genoeg was om weer verder te lopen. Ik had mijn map overdag goed bestudeerd op de enorme afstand die ik moest afleggen om via België en Frankrijk in Spanje te komen. Ik dacht dat ‘t het beste was om zo snel mogelijk met de ‘organisatie’ (ondergrondse) in contact te komen en besloot om richting het zuiden te lopen.

 

 

Hartnell-Beavis vervolgde zijn weg waarna hij na ongeveer 40 kilometer een hooiberg vond om in te slapen. De volgende dag ging hij aan het einde van de dag weer verder en op zoek naar hulp. Hij klopte bij een boerderij aan maar daar was niemand die hem durfde te helpen dus vervolgde hij zijn weg om ergens in een schuur te overnachten. Daar werd hij de volgende dag door een boer gevonden die hem mee nam en eten gaf op zijn boerderij. Daarna werd hij het huis uitgezet, ze waren te bang om hem te helpen. Hartnell-Beavis vervolgde zijn weg weer en na gestopt te zijn bij een aantal boerderijen wist hij van iemand voor tien dinar een licht blauw jasje te kopen waarmee hij minder op hoopte te vallen. Hij was nog steeds niet in staat geweest de ‘organisatie’ te vinden. Wel ontdekte hij zijn positie op de kaart, westnoordwest van Eindhoven. Hij kwam langs het vliegveld in Eindhoven en sliep nachts in een bos. De volgende dag vervolgde hij zijn weg tot in een dorp en dronk er zelfs een kop koffie in een café. Ondanks dat het hem lukte dit te doen besloot hij deze domme actie toch maar niet meer uit te voeren. Tot dan toe had hij geen enkele Duitser gezien en was zijn baard al aardig gaan groeien. Hij had veel pijn aan zijn schouder en begon wat depressief te worden. De volgende morgen ging hij naar een grote boerderij waar hij twee Franstalige Belgen sprak waarmee hij in het Frans een goed gesprek kon voeren. Zij vertelde hem dat ze elke dag wandelend daar naar toe kwamen en dat de grens met België niet erg ver weg was. Hij besloot hierop de grens, die volgens de Belgen slecht bewaakt werd, ‘s nachts over te steken. Hij vervolgde zijn weg tot in een dorp waar hij bij een huis aan besloot te kloppen in de hoop dat iemand hem kon helpen. Hij had zich al dagen niet geschoren en was wel toe aan een wasbeurt. Er deed een man in een soort officieel groen uniform open en Hartnell-Beavis vroeg in het Duits aan de man of hij zijn scheermes mocht lenen. Hierop vroeg de man of hij Engels was waarop hij ja knikte. Hij werd bij de arm naar binnen gehaald waarna hij werd gefouilleerd. De man verliet de kamer en kwam met zijn vrouw terug. In het Duits werd hem verteld dat ze hem wel wilde helpen om in België te geraken maar dan mocht niemand dat ooit te weten komen. Hartnell-Beavis dacht het eindelijk met de ondergrondse van doen te hebben.

 

 

Hij kreeg van de vrouw een maaltijd en nadat een bevriend persoon arriveerde werd hij meegenomen in een bakfiets. Bij een bos aangekomen werd hem verteld om aan de rand in het bos te wachten. Hier wachtte hij ongeveer een half uur terwijl de man voor hem op de weg bleef staan totdat er een andere man op de fiets aankwam. Er ontstond een gesprek tussen de twee waarna er gewenkt werd dat hij kon komen. Met de fiets ging het toen verder naar het volgende dorp waar gestopt werd bij een groot huis. Hij werd naar binnen geleid en een kamer ingestuurd met de mededeling daar te blijven wachten. Met de gedachte dat er nu vast valse papieren gemaakt zouden worden om veilig te kunnen reizen wachtte hij af. Na ongeveer twintig minuten begon hij toch wat nerveus te worden en opende hij de deur van de kamer waar hij in verbleef. Tot zijn ontzetting stond er voor de deur een bewapende wacht die hem in het Duits beval terug de kamer in te gaan om te wachten. Hartnell-Beavis dacht er niet aan en rende de gang uit en de hoek om waar hij recht in de armen van een andere bewapende wacht liep die bij de buitendeur stond opgesteld. Hartnell-Beavis was gepakt en in Duitse handen. Na eindeloos wachten in de kamer, wat een cel bleek te zijn van waarschijnlijk het plaatselijke politie bureau, kwamen twee Duitse sergeanten in grijze Luftwaffe uniformen die hem in een auto mee namen naar Eindhoven waar hij werd ondervraagd. Daarna werd hij naar het vliegveld vervoerd waar hij weer werd ondervraagd. De volgende dag werd hij per trein, derde klasse, meegenomen naar Amsterdam. In Amsterdam werd Hartnell-Beavis zes dagen in eenzame opsluiting opgesloten met niet meer dan twee dekens vol luis en een hard houten bed met het licht dag en nacht aan. Hier werd hij met regelmaat verhoord tot hij op een dag door twee bewakers en een sergeant werd meegenomen naar het station waar hij na twee uur wachten een derde klas wagon werd ingezet. Deze trein bracht hem en zijn bewakers naar Cologne waar de reis langs de Rijn verder ging naar Bonn en Coblenz. Uiteindelijk arriveerde ze in Frankfurt waar de reis per tram werd voortgezet naar het doorvoer kamp Dulag Luft in Ober Ozel, zo’n vier kilometer verderop. Na hier meer dan een week gevangen gezeten te hebben werd hij per trein naar een ander kamp vervoerd. Deze reis zou drie dagen duren waarna hij in de omgeving van Sagan halverwege Berlijn en Breslau uitstapte en te voet nog anderhalve mijl zou moeten afleggen naar Stalag Luft III, zijn eindstation. Hartnell-Beavis zou het verdere verloop van de oorlog in krijgsgevangenschap doorbrengen.

 

 

                                                                                       Bron; FINAL FLIGHT, J. Hartnell-Beavis-1985

 

J. Hartnell-Beavis laatste vlucht

                   Deel II

J. Hartnell Beavis final flight Part II