Het Brabantse dorp Oisterwijk
  en Operatie Market-Garden

Captain Hunters crew deel I

Uit een verslag over de noodlanding van Captain James ‘Jim’ K. Hunter  kon ik het volgende opmaken:

 

Vier dagen voorafgaand aan 18 September had het 491ste vrijaf gekregen van het vliegen van bombardementsvluchten. In plaats daarvan werd hun gevraagd vluchten te maken om zich vertrouwd te maken met het laag vliegen, en wel zo dicht mogelijk bij de grond. Ze moesten zich voorbereiden op een speciale missie om voorraden te droppen voor geallieerde troepen waarbij op boomtop hoogte gevlogen zou moeten worden. Het was bijna 18 September toen het 491ste vernam dat ze een rol zouden gaan spelen in het eerste grote offensief sinds D-Day.

De operatie droeg de naam Operatie ‘Market-Garden’, een gecombineerd geallieerd plan bedacht door de Britse Veldmaarschalk Montgomery waarin geallieerde troepen achter de Duitse linies gedropt zouden worden in een poging de Duitsers uit Holland te verdrijven. Operatie Market-Garden zou 3.634 vliegtuigen, 1.635 zweefvliegtuigen, 30.481 troepen, 1.001 voertuigen, 463 artillerie stukken en 3.559 ton materiaal omvatten die per parachute of vliegtuig aangevoerd zou worden naar Holland. Als alles volgens plan zou verlopen zouden deze troepen binnen enkele dagen herenigd worden met de bestaande grondtroepen die naderde vanuit België en zouden dan samen de Duitsers naar het Oosten over de rivier de Rijn moeten verdrijven. Tijdens de trainingsvluchten voor deze missie kregen de piloten en hun bemanning het gevoel dat deze missie, zoals de manschappen het in hun jargon noemde, een ‘milk run’ (eenvoudige vlucht) zou worden. Market-Garden zou de geschiedenis in gaan als de slag om Arnhem - een brug te ver. Het was de grootste luchtlandingsoperatie uit de geschiedenis en de enige keer dat de geallieerden een verlies leden in Noord-West Europa.

 

 

De operatie begon op 17 September toen 875 B-17 bommenwerpers ingezet werden om in Nederland 117 Duitse Flak batterijen en installaties te bombarderen. Vervolgens werden 20.000 soldaten van het eerste geallieerde luchtlandingsleger ingevlogen door 2.083 transportvliegtuigen en gedropt per parachute en zweefvliegtuigen. Om de onbewapende transportvliegtuigen te beveiligen werden die geëscorteerd door 503 Amerikaanse en 371 Britse jachtvliegtuigen. Dit luchttransport strekte zich uit over een lengte van 151 km en over een breedte van 5 km, waarbij laag werd gevlogen op een gemiddelde hoogte van 1500 voet. Eenmaal boven hun doel in Holland daalde de toestellen naar een hoogte van 500 voet voor de droppings. Parachutisten van de 101st U.S. Airborne Divisie werden ten noorden van Eindhoven gedropt, de 82nd U.S. Airborne Divisie werd ten Zuiden van Nijmegen gedropt en de 1st British Airborne Divisie werd bij Arnhem gedropt. De gemiddelde duur dat over Duits luchtafweer werd gevlogen bedroeg ongeveer 40 minuten. Een tweede transport met 2.458 transport vliegtuigen geëscorteerd door 867 jagers voltrok zich op 18 September, waarbij een tweede groep militairen en voorraden in Holland werden gedropt. Onmiddellijk na dit tweede transport dropte 248 B-24's van de 8th U.S. Air Force voorraden voor de 101st en 82nd Airborne Divisie. Veertig van deze B-24's kwamen van het 491ste. In plaats van het vervoeren van bommen waren hun bommenruimen toen gevuld met medische voorraden, communicatie uitrustingen, munitie, eten en brandstof. Het was voor het eerst dat zware bommenwerpers werden ingezet voor het droppen van voorraden op lage hoogte.

 

 

In de morgen van 18 September werd om 09:30 op vliegveld North Pickenham een briefing gehouden voor missie 71. De Hunter crew was geselecteerd om met hun B-24 als leider van hun groep voorop te vliegen naar Eindhoven in Holland om voorraden te droppen voor de 101st Airborne Divisie.

Als leider van de groep was het nodig dat een ‘groep Operatie Officier’ mee vloog als co-piloot en verschillende mannen wilde deze positie. De uiteindelijke beslissing werd gemaakt door de tos van een munt en Captain Anthony Mitchell uit Poland, Ohio werd aangewezen als vervanger van co-piloot Lt. Raymond Toll. Het was ook nodig dat een dropmaster aan boord zou zijn voor de begeleiding van de parachutedroppings met voorraden en hiervoor werd soldaat George E. Parrish uit Durham, North Carolina tijdelijk aan de Hunters crew toegevoegd.  Echter, twee leden van de originele bemanning, Palmer en Walburg behoorde door onduidelijke reden, wellicht waren ze ziek of gewond, niet tot de bemanning voor deze vlucht.

Neus schutter, 1st Lt. William H. Byrne uit Bellmore, New York, werd hiervoor in plaats toegevoegd als bemanningslid. Byrne vloog normaal gesproken met B-24 "The Hard Way" als navigator met de David Hicks crew. Maar door het niet aanwezig zijn van een navigator op iedere missie liep Lt. Byrne achter in zijn aantal missies. De rest van de Hicks crew beëindigde hun benodigde 31 missies die nodig waren om terug naar huis te mogen keren op 11 September en stonden inmiddels op het punt naar huis terug te keren. Na een vertraging door mist begon het vertrek om 13:27. De toestellen verzamelden zich in het luchtruim boven Engeland en ze verlieten de Britse kust rond 14:50 voor een 34 minuten durende vlucht naar Holland. Tijdens deze vlucht waren ze genoodzaakt een bocht van 360 graden te maken om terugkerende groepen transport vliegtuigen van de tweede transportvlucht te ontwijken. Toen ze rond 15:30 de Nederlandse kust bereikte daalde de toestellen naar een hoogte van 300 voet.  Hierop werden ze direct door licht Duits luchtafweer beschoten. In nog geen 15 minuten vlogen de toestellen op boomtop hoogte en konden ze Nederlandse burgers zien juichen en zwaaien. Tussen het moment van het bereiken van de Nederlandse kust en het bereiken van hun droppingsgebied onderging de formatie tevens beschietingen van zwaar Duits luchtafweer. Ze waren geïnstrueerd om niet terug te schieten om te vermijden dat er burger slachtoffers zouden vallen. Om ongeveer 16:30 bereikte de toestellen de dropzone en moesten ze klimmen naar 400 voet om hun bundels voorraden te kunnen droppen waarvan de meeste in de daarvoor aangewezen zones neerkwamen. Hierop volgde direct hun terugreis naar Engeland.

De Hunter crew bij aankomst in Engeland. Achterste rij links naar rechts: James ‘Jim’ Hunter, Raymond Toll, Harry Parker, John Granat en Anthony Caputo (passagier). voorste rij, links naar rechts: Cecil Hudson, Barto Montalbano, Palmer, George Walburg en James Evers.
Laag boven drop zones bezaaid met zweefvliegtuigen dropt het 491ste haar bundels voorraden per parachute. 18 September 1944.
Laag over North Pickenham. B-24’s van het 491ste oefenen voor een laagvlieg bevooradings missie naar Eindhoven.
Captain Hunters crew part I